Inleiding

In Nederland kennen we veel regels die betrekking hebben op de arbeidsvoorwaarden voor werknemers. Zo is vastgelegd wat het minimumloon moet zijn en hoeveel vakantiedagen een werknemer minimaal dient te kunnen opnemen. Er is echter nog steeds geen wettelijke verplichting om een pensioen aan te bieden aan alle werknemers in Nederland. Het is dus niet een algemene verplichting waar elke werkgever in Nederland zich aan dient te houden.

De overheid heeft echter toch voor een deel van de werkgevers een pensioenregeling voor werknemers verplicht gesteld. Op grond van de “Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000”.

Bedrijfstakpensioenfondsen

In Nederland is goed gebruik gemaakt van deze wet, en gelden er voor veel branches verplichte pensioenregelingen. Zoals in de zorg en in de metaalindustrie. Voor de uitvoering van deze regelingen zijn pensioenuitvoerders aangewezen. Zij zorgen voor het innen van premies, de betaling van de pensioenen en het laten aansluiten van organisaties die onder de verplichtstelling vallen.

In de zorg zijn er meerdere bedrijfstakpensioenfondsen, waarvan de PFZW (Pensioenfonds Zorg en Welzijn) de grootste is. De PFZW is zelfs het op één na grootste bedrijfstakpensioenfonds van Nederland, na het ABP.

Wel of niet verplichte aansluiting?

Voor veel zorginstellingen is het duidelijk onder welke cao en bedrijfstakpensioenfonds zij vallen. En er is geen onduidelijkheid over een verplichtstelling.

Voor sommige zorginstellingen die nieuw zijn, of zorginstellingen die lange tijd zonder personeel hebben gewerkt, is dat niet altijd duidelijk. Er bestaan nog vormen van zorg die niet direct vallen onder de verplichtstelling. Het is en blijft de verplichting van de zorginstelling zélf, om te onderzoeken of er sprake is van een verplichtstelling. Vaak is het mogelijk om via bijvoorbeeld de accountant of de pensioenadviseur een check te laten uitvoeren op dit punt. Een zorginstelling dus nooit aanvoeren dat zij niet bekend was met een verplichtstelling, om een claim van een bedrijfstakpensioenfonds tegen te gaan.

De gevolgen van een verplichtstelling

Bedrijfstakpensioenfondsen houden zich niet alleen bezig met het uitvoeren van de pensioenregeling en het innen van premies, maar zijn ook actief op zoek naar organisaties die onder de verplichtstelling vallen’, maar zich nog niet hebben aangemeld. Een zorginstelling heeft dus de verplichting om zelf te controleren of zij vallen onder een verplichtstelling en zo ja, om zich vervolgens te melden bij dat bedrijfstakpensioenfonds.

Zo controleert het PFZW bijvoorbeeld bij de kamer van koophandel wie zich heeft ingeschreven onder bepaalde SBI-codes. Vallen ze onder de verplichtstelling en is die organisaties niet aangemeld? Dan schrijft het PFZW die organisaties aan. In een dergelijke brief wordt verzocht om informatie te verstrekken. En er wordt gewezen op de mogelijkheid op de site van het PFZW om via een vragenformulier te bepalen of er sprake is van een verplichtstelling.

Door die actieve zoekhouding van het PFZW is de kans groot dat een zorginstelling zal worden aangeschreven wanneer er nog geen aanmelding is bij het PFZW. Het kan natuurlijk zijn dat de activiteiten van de zorginstelling niet onder de verplichtstelling vallen of dat er geen werknemers in dienst zijn bij de zorginstelling, bijvoorbeeld bij een maatschap zonder personeel.

Premiebetaling met of zonder terugwerkende kracht?

Stel nu dat je als zorginstelling brief krijgt van het PFZW. Of dat je zelf het advies krijgt van een adviseur om jullie zorginstelling te melden bij het PFZW. Als dan wordt vastgesteld dat de zorginstelling sinds een bepaalde tijd onder de verplichtstelling valt, hoe zit het dan met de premies die in al die tijd niet zijn afgedragen aan het PFZW?

Zoals ik hiervoor al heb aangegeven dient een zorginstelling zelf na te gaan of er sprake is van een verplichtstelling. Onbekendheid met een verplichtstelling kan dus geen reden zijn om niet de verschuldigde premies te moeten afdragen. Het PFZW kan vervolgens met terugwerkende kracht de niet afgedragen premies vorderen. Als een zorgstelling dat weigert, kan het PFZW die betaling via de rechter afdwingen.

Tot wanneer kan het PFZW de niet afgedragen premies terugvorderen bij een zorginstelling?

Over deze vraag bestaat helaas nogal wat discussie in de rechtspraak. Vanaf een bepaald moment kunnen premies niet meer worden gevorderd omdat de vordering van het PFZW is “verjaard”. Dat houdt in dat de vorderingen te oud zijn en niet meer kunnen worden afgedwongen. De vraag is nu hoe lang die termijn is en vooral, wanneer die termijn begint te lopen.

Verjaring

Als de wet niet anders aangeeft, dan verjaart een rechtsvordering door verloop van 20 jaar. Artikel 3:307 BW bepaalt dat een rechtsvordering tot nakoming verjaart door verloop van vijf jaar. Artikel 3:308 BW bepaalt dat rechtsvorderingen tot periodieke betaling verjaren door verloop van vijf jaar. Als het duidelijk is welke verjaringstermijn van toepassing is, is het vervolgens belangrijk om vast te stellen wanneer die verjaringstermijn begint te lopen. In de rechtspraak wordt onderscheid gemaakt tussen twee momenten:

  • de objectieve aanvang: vanaf het moment dat de vordering opeisbaar is;
  • de subjectieve aanvang: vanaf het moment dat de schuldeiser bekend is geworden met het bestaan van de vordering, en de (verplichting van) de schuldenaar om aan die vordering te voldoen.

Uit rechtspraak blijkt dat rechters verschillend denken over de genoemde verjaringstermijnen én de vraag wanneer een verjaringstermijn begint te lopen. Een belangrijke uitspraak met betrekking tot deze belangrijke vragen is het zogenaamde “Pointer-arrest” uit 2019 van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Een voorbeeld

Bij het Pointer-arrest ging het om de vraag of de werknemers in dienst bij Pointer B.V. onder de verplichtstelling van het Pensioenfonds Metaal en Techniek vallen en tot wanneer het pensioenfonds premies met terugwerkende kracht kon innen. Het hof overwoog dat de verjaringstermijn van artikel 3:308 BW pas aanvangt vanaf het moment dat het fonds bekend is met de verplichte premieafdracht en dus uitgaat van de subjectieve aanvang.
Ondanks dat de verplichting tot afdracht van pensioenpremies al is ontstaan op het moment dat de werkgever voldoet aan de voorwaarden van een verplichte deelneming, kunnen de fondsen pas aanspraak maken op de daarmee corresponderende schuld vanaf het moment dat zij bekend zijn met die verplichte deelneming. Pas vanaf dat moment kan immers worden vastgesteld dat premies verschuldigd zijn, en kan het fonds tot heffing overgaan, zo overwoog het hof.

Door deze uitspraak kunnen fondsen in sommige gevallen dus meer dan vijf jaar terug in de tijd premies vorderen. Als een fonds bijvoorbeeld pas in 2019 bekend wordt met een verplichte deelname, maar de werkgever feitelijk al sinds 2010 onder de verplichtstelling viel, kunnen de premies tot 2010 met terugwerkende kracht worden gevorderd, dus over een periode van negen jaar. Vooral afhankelijk van het aantal werknemers bij de werkgever, kunnen dat grote bedragen zijn voor de werkgever om alsnog af te dragen aan het bedrijfstakpensioenfonds.

Verschillende uitspraken

In uitspraken van een aantal Rechtbanken die hierna zijn gewezen, blijkt dat er verschillend wordt gedacht over de verjaringstermijn en wanneer de verjaring begint te lopen. Zo heeft de Rechtbank Rotterdam geoordeeld dat de verjaring begint na de dag waarop de vordering opeisbaar is geworden. Uit artikel 6:38 BW volgt dat een verbintenis opeisbaar is als de schuldeiser gerechtigd is nakoming te vorderen. Volgens de rechter blijkt noch uit de tekst, noch de toelichting daarop, dat voor opeisbaarheid is vereist dat de schuldeiser ook feitelijk in staat is nakoming te vorderen. Hierdoor kan de verjaringstermijn van vijf jaar beginnen voordat de schuldeiser weet dat hij een vordering heeft. Het fonds kan in beginsel dus niet meer dan vijf jaar terugkijken en vorderen.

Ondanks dit oordeel kreeg de werkgever toch niet gelijk. De Rechtbank vond dat het “naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar” was als in dit geval de vordering zou verjaren. De werkgever moest in dit geval daarom tóch over de periode van meer dan vijf jaar premies afdragen.

De rechtbank Midden-Nederland gaat weer een andere kant op in een uitspraak. Ook in deze zaak wordt het Pointer-arrest weer genoemd door de rechter. De rechter overweegt echter dat geen aansluiting moet worden gezocht bij artikel 3:308 BW, omdat daar bekendheid van de schuldeiser met de schuldenaar wordt verondersteld. In plaats van een verjaringstermijn van vijf jaar, geldt volgens de rechtbank Midden-Nederland op grond van artikel 3:306 BW een verjaringstermijn van twintig jaar die aanvangt op het moment van opeisbaarheid van de vordering.

Conclusie

De conclusie is duidelijk: het is erg belangrijk om helder te krijgen of er sprake is van een verplichtstelling. Zeker als er veel werknemers in dienst zijn bij jullie zorginstelling. De bedrijfstakpensioenfondsen kan met terugwerkende kracht de premies vorderen. Het kan dus om een groot bedrag gaan dat alsnog moet worden betaald.

Als er wel een pensioenregeling is afgesloten voor de werknemers, is het soms mogelijk om “dispensatie” te krijgen als het bestaande pensioen goed genoeg is of alsnog wordt verbeterd.

Het is daarom van groot belang om goed advies te krijgen over een mogelijke verplichtstelling en zo nodig om de gesprekken aan te gaan met een bedrijfstakpensioenfonds. Hanze advocaat kan jullie hierin begeleiden en bijstaan. Neem dus gerust contact met ons op.

Erwin Zondervan
Senior advocaat arbeidsrecht bij Hanze advocaat
Groningen, 17 februari 2022.

Deel dit bericht:

Hi, mijn naam is Erwin. Waar kan ik je mee helpen?

Heb je een vraag over de verplichtstelling? Neem dan gerust contact met mij op Bel, mail of stuur mij een appje. Ik zal je zo snel mogelijk helpen!